Fotoalbum

 

 

 

In mijn fotoalbum zag ik foto’s van een vrolijk, onhandig blond kind dat altijd lachte.

Op een foto ben ik aan het waterskiën, mijn favoriete bezigheid. Ik was zo klein en mager toen ik acht was. Ik had mijn rode zwemvest aan. Mijn witte ski’s zijn bij elkaar gebonden met een brede zwarte band, zodat mijn benen bij elkaar blijven. Je ziet zo dat ik de zonnestralen gretig opzuig en oprecht geniet. Vanbinnen was ik gelukkig. Ik kan me nog herinneren dat ik voor het eerst tien hele minuten overeind wist te blijven op die ski’s. Ik was apetrots en helemaal blij.

Ik leerde waterskiën toen ik vier was. Mijn ouders kochten zwemvesten voor het hele gezin, rood met zwarte houtje-touwtjesluitingen. Mijn zwemvest aantrekken was een van de mooiste momenten van de zomer. Net als waterski’s kopen. We hebben zo veel ski’s uitgeprobeerd dat het winkelpersoneel zijn ergernis bijna niet kon verbergen.

Elk jaar ging het hele gezin op pad in mijn vaders gele bananenmobiel. We vonden het geweldig om op vakantie te gaan. Mijn moeder kocht spelletjes voor onderweg en Christy en ik speelden op de achterbank. Soms werd het ruzie en gilden en schreeuwden we naar elkaar. Het was het leukst als we ondeugend deden. Dan kwamen er dreigementen van de voorbank en zei mijn vader: ‘Als ik de auto stil moet zetten, zwaait er wat!’

Maar op vakantie bleef het bij dreigementen.

We wisten dat er een leuke vakantieweek aan zat te komen als het plastic zeil van de boot ging. Onze boot had rode strepen en hij was net groot genoeg voor vier personen. Mijn vader en moeder hielden ons koest in de auto door te zeggen dat we op de boot moesten letten. Die lag op een trailer achter de auto en ze zeiden dat hij eraf zou vallen als we hem niet in de gaten hielden. Dat grapje kregen we al snel door. Ze probeerden ook een zwijgspelletje, waarbij het erom ging wie het langste stil kon zijn. Na twee minuten was een van ons al af. Dan gingen we verder met het nummerbordenspel en keken we wie de meeste nummerborden uit de meeste staten zag. Als niets anders meer hielp pakte mama pen en papier en speelden we galgje of moesten we hokjes maken. Zij tekende puntjes en wij kregen punten als we die met elkaar verbonden.

We gingen elk jaar op vakantie naar het Table Rock Lake in het Ozarkgebergte. We logeerden in een vakantieoord dat Lone Pine heette. Er was een zwembad, je kon er vissen, er was een zandstrandje en duizenden spelletjes. Toen ik ouder werd ging ik sjoelen en badmintonnen.

En je kon er waterskiën. Het opwindendste moment was als onze boot het water in ging. We huppelden door de boot en konden niet wachten tot we onze ski’s aan mochten, maar dat mocht pas als we een dikke, kleffe laag zinkzalf op onze neuzen hadden. Mijn vader en moeder hadden puntige witte neusbeschermers. We lachten om andermans witte neuzen, omdat we vergaten dat we ze zelf ook hadden. Mijn vader zat aan het stuur van de boot met zijn pilotenzonnebril op en een brede glimlach op zijn gezicht. We dronken frisdrank op vakantie en mijn vader dronk bier.

Toen we net leerden waterskiën skiede mijn moeder achter ons. Mijn ouders controleerden allebei onze zwemvesten. Dan ging mijn moeder het water in en liet mijn vader ons in haar armen zakken. Zij bracht ons naar het touw en skiede achter ons tot we het zelf konden.

Als we vielen, keerde mijn vader de boot om ons te halen en mijn moeder was binnen een halve seconde bij ons.

 

*

 

Maar we konden niet het hele jaar door op vakantie. Ons leven bleef langzaam afbrokkelen. Heel langzaam, in het begin. Er deed zich nog een groot, akelig incident voor. Ik wou dat ik het kon vergeten. Mijn moeder had een uitgebreide spaghettimaaltijd gemaakt en mijn vader was weer eens te laat thuis. We bleven meer dan een uur op hem wachten. Uiteindelijk gingen we zonder hem eten. Mijn moeder borg al het eten op en ging schoonmaken, terwijl de kinderen naar de woonkamer gingen om tv te kijken.

Toen mijn vader thuiskwam, paars aangelopen van de martini’s, zei hij tegen mijn moeder: ‘Ik wil eten.’

Ze probeerde niet eens een ruzie uit te lokken. Als hij dronken was, won ze toch nooit. Als ze hem later vertelde wat hij had gezegd of gedaan kon hij het zich nooit herinneren. Dan geloofde hij niet eens dat er iets was gebeurd.

Mijn moeder zei: ‘Pak het zelf maar.’ Ze vertelde hem waar hij het stokbrood en de pasta en de saus kon vinden. Toen ging ze verder met stofzuigen. Christy en ik hadden allebei een knoop in onze maag. We deden eerst net alsof we niet doorhadden wat er gebeurde. We bleven naar de televisie staren.

Toen rukte hij de steel van de stofzuiger en boog hem om als een boemerang. Daarna haalde hij het brood, de pasta en de saus uit de koelkast. Hij smeet het door de keuken, tegen de tegels achter de gootsteen. De glazen schalen braken de tegels en de hele keuken zat onder het eten.

Toen greep hij de aardewerken fruitschaal van de keukentafel en smeet hem tegen de muur. Mijn moeder belde oma Lannert, die in die tijd twintig minuten bij ons vandaan woonde.

‘Mae,’ zei ze, ‘Tom komt net thuis en hij is kwaad omdat ik hem geen eten wil serveren. Hij is helemaal gek geworden en ik kom er nu aan met de meiden.’ Mijn grootmoeder kalmeerde hem door de telefoon. Intussen nam mijn moeder Christy en mij mee en we gingen een paar dagen logeren bij oma Lannert. Ik vond het niet leuk wat er gebeurd was. Ik vond het verwarrend. Waarom deed de papa die ik zo lief vond ineens zo raar? Misschien had hij gewoon een rotdag. Misschien was het zoals hij zei en had mijn moeder iets gedaan om zulk gedrag uit te lokken.

Ik wist dat het niet goed was wat hij had gedaan. Maar het was nu voorbij, hoopte ik. Ik wilde dat mijn moeder erover ophield en dat het voorbij was. Ik miste mijn vader verschrikkelijk. Ik voelde me zo eenzaam zonder hem dat ik kwaad op mijn moeder werd, omdat het haar schuld was dat ik nu niet bij hem was.

Mijn vader kwam ons opzoeken bij oma. Zijn missie was duidelijk. Hij wilde mijn moeder ompraten zodat ze weer thuiskwam. Oma bracht mijn vader aan zijn verstand dat hij minder moest drinken en ze wist mijn moeder zover te krijgen dat ze hem nog een kans gaf.

Toen we weer naar huis gingen, was er een afspraak dat er iets zou veranderen. We pakten de bananenmobiel in en verhuisden naar Kansas City.

We zouden helemaal opnieuw beginnen. Een nieuw leven opzetten.