Bewusteloos

 

 

 

Er was iets mis met Christy. Ze was niet meer het lieve poppetje dat ik altijd wilde knuffelen, ze was een beresterk, beeldschoon probleemkind aan het worden. Mijn vader mishandelde haar, niet seksueel, maar wel lichamelijk en emotioneel. Ze bleef zo veel mogelijk bij hem uit de buurt, want ze was het zat dat hij haar sloeg en uitschold voor ‘kleine kankerteef’. Al toen ze zeven of acht was, zei hij dingen tegen haar als: ‘Ik breek je nek, vuil kreng.’ Ze kon al niet veel beter met onze moeder overweg, dus woonde ze altijd bij wie haar maar wilde hebben. Ze verhuisde continu van onze ouders naar tantes en ooms en grootouders.

Misschien was ze daarom op haar twaalfde al alcoholist. Vanaf haar negende of tiende stroopte ze alle drankkasten af. Ze had het idee dat grote mensen zich ontspanden als ze dronken. Ze wilde zelf ook wel eens ontspannen zijn.

Ik probeerde haar zo veel mogelijk te beschermen. Maar het valt niet mee om iemand te beschermen die zelf haar eigen grootste vijand is. Hoe ze zich ook tegen me verzette – en tegen alle anderen die zogenaamd voor haar zorgden – ze wist dat ze op mij altijd terug kon vallen. Ik was de enige die echt alles voor haar over zou hebben. Dat was wederzijds.

Ze was zo fel. Ze dacht dat ze een hele vechtersbaas was, omdat ik me altijd door haar in elkaar liet slaan. In mijn tienerjaren sloeg ik Christy bijna nooit. Dat had twee redenen. Punt een kon ze me aan en punt twee zou ik me schuldig voelen als ik haar iets aandeed. Iedereen leek er al op uit om mijn zusje pijn te doen en ik wilde daar niet aan meedoen.

Al met al kreeg Christy het idee dat ze alles kon maken. Toen ze twaalf was klom ze op de dwarsbalk van de schommels, heel hoog, iets wat niemand anders in zijn hoofd haalde. Ze vond het leuk om daar rond te hangen en alle kinderen in de speeltuin in de gaten te houden. Rosie, een van de grootste pestkoppen van de school, ging op een dag onder Christy staan om met haar te praten.

‘Waar is je zus?’ vroeg Rosie.

‘Wat gaat jou dat aan?’ vroeg Christy. Haar lange, blonde haar danste over haar schouders. Ze had het in een krullerig permanent, net als iedereen in die tijd.

‘Ik kan haar niet uitstaan,’ zei Rosie. ‘Ik haat die trut.’

Het kwam niet in Christy op om bang te zijn voor Rosie, een meisje dat kleine kinderen in elkaar sloeg alsof het niets was. Ze spuugde Rosie op haar hoofd. Vervolgens zei ze: ‘Hé, het regent zeker.’

Ik ben blij dat ik er niet bij was, want dan had Rosie mij en Christy allebei in elkaar geslagen. Maar Christy was niet achterlijk. Ze bleef op de schommel zitten tot het donker werd en Rosie geen zin meer had om haar op te wachten. Rosie liet Christy voortaan met rust.

Op een avond ging Christy naar een pizzeria met wat vrienden. Dat was niets bijzonders, daar gingen we allemaal naartoe als we naar de bios waren geweest. Maar toen Christy die avond thuiskwam, miste er een grote hap uit haar haar. Ze had gevochten met een of andere grote boerenmeid en ze zat nog maar in de brugklas. Zo’n felle was ze. En nog trots op zichzelf ook.

Ik dacht altijd dat ze zo sterk was omdat ze risico’s nam, wat ik niet deed. Ik was extravert genoeg, maar meestal was ik vooral bezig om de lieve vrede te bewaren met mijn moeder, mijn vader, kinderen op school of wie dan ook. Christy had niets met vrede. Onze stemmen klonken hetzelfde – nu nog steeds – maar onze woorden kwamen er heel anders uit.

In die tijd woonden we nog bij onze moeder en Christy maakte het haar altijd moeilijk. Mijn moeder had een serieuze relatie met ene John, met wie ze trouwplannen had. Soms probeerde ze wel een goede sfeer te creëren, maar we hadden te veel woede opgekropt om onze moeder serieus te nemen. Als ze zei dat we onze bedden moesten opmaken, zeiden we: ‘Echt niet.’ Als ze zei dat we eten moesten maken, zeiden we: ‘Doe het lekker zelf.’

Op een dag liepen we de trap af met onze moeder. We gingen samen ergens naartoe. Christy, die toen dertien was, zei: ‘Mam, ik vraag me af wat er zou gebeuren als ik je nu van de trap duwde.’

Mijn moeder was wel gewend aan dit soort opmerkingen, het soort opmerkingen dat Christy leerde bij onze vader. Ze was immuun geworden voor onze hatelijkheden. Ze greep niet in, ze gaf het gewoon op. Mijn moeder keek nauwelijks op en zei: ‘Dat zou ik maar niet doen.’

Onze moeder werkte de hele dag en ’s avonds ging ze uit met haar vriendje. Tieners zijn natuurlijk dol op vrijheid, maar stiekem verlangen ze ook naar grenzen. Grenzen en regels hadden voor Christy en mij betekend dat er iemand om ons gaf. We sloegen terug op de enige manier die we konden verzinnen. We nodigden op alle uren van de dag vrienden uit, die een puinhoop van ons huis maakten. We gunden onze moeder geen greintje gezag. We vonden niet dat ze dat verdiende. Ze had ons respect niet verdiend of opgeëist, dus kreeg ze het gewoon niet.

Het is een wonder dat ze ons überhaupt mee vroeg naar Arkansas.

 

*

 

Mijn moeder en John trouwden in Arkansas in een prachtige molen. Christy en ik gingen mee, wat een vergissing was. De bruiloft was geweldig en daarna namen ze ons mee naar iets wat de Waanzinnige Water Wereld heette. Ze huurden een schattig huisje met twee slaapkamers om eens te kijken hoe het met zijn vieren zou gaan. Heel even leek het nog alsof het wel goed zou komen met John erbij.

Na een gezellig dagje samen met ons begonnen ze aan hun wittebroodsweken. Ze bleven twee hele dagen in hun slaapkamer en kwamen er letterlijk nauwelijks uit. Christy en ik hadden ons nog nooit zo verveeld en gegeneerd. Ze hadden het te druk met seks om naar ons om te kijken. We kenden de omgeving niet, dus konden we de boel ook niet op stelten gaan zetten. Dat was allemaal niet zo erg, we waren alleen rusteloos. We keken de hele miniserie North and South terwijl zij hun huwelijk inwijdden. We konden niet wachten om weer naar huis te gaan. Als ons leven met hen zo zou worden – tv-kijken terwijl zij het de hele dag deden – dan zagen we dat mooi niet zitten.

Kort daarna waren Christy en ik een weekend bij pa in Soulard. Sommige weekenden bij hem waren nachtmerries, andere waren verrassend leuk. Ditmaal zat het er zo’n beetje tussenin. Mijn vader zette ons naast elkaar op de bank omdat hij ons iets wilde vertellen.

‘Je moeder verhuist naar Arkansas met John,’ zei hij. Hij was nuchter en krabde op zijn hoofd. ‘Ze laat jullie stikken.’

Het kwam niet echt als een schok. We wisten al dat ze daar uiteindelijk wilden gaan wonen na hun trouwen. We waren alleen verbaasd dat ze al zo snel gingen. Later zei mijn moeder dat het haar speet, want zij had eigenlijk degene moeten zijn die het ons vertelde. Mijn vader flikte haar altijd dit soort dingen, als hij de kans kreeg. We waren het wel gewend om ingezet te worden bij hun ruzies.

Hij zei dat we nog wel iets te kiezen hadden. We konden bij hem komen wonen of bij hen. We mochten het zelf weten.

‘Ik weet wel dat er wat problemen zijn geweest,’ zei hij. Hij had een afgeknipte spijkerbroek aan en wreef over zijn knieën. ‘Maar ik wil graag dat we een gezin blijven.’

Ik voelde me verscheurd, maar dat was niets nieuws. Ik haatte het bij mijn moeder. Ik kende John niet echt, want hij praatte nauwelijks met me. En bij mijn vader wonen was een puinhoop, maar als hij nuchter was, waren er wel gelukkige momenten. Hoe dan ook kregen we nooit het gevoel dat we ergens thuishoorden of gewenst waren. Waar we ook naartoe gingen, we raakten steeds geïsoleerder.

Ik vond het doodeng om op hem te vertrouwen, maar de laatste maanden was hij best lief en aardig geweest. Hij liet mij wat meer met rust en hij traumatiseerde Christy niet meer zo. Hij had zijn leven gebeterd als voorbereiding op deze situatie.

‘Ik ben van plan een huis te kopen bij oma in de straat,’ zei hij. Hij ijsbeerde heen en weer. Hij zou 71.000 dollaar betalen voor een vrij ruim bakstenen huisje, net zoiets als wat oma had. Ik weet zeker dat mijn oma hem hielp met de aanbetaling, want dat deed ze altijd. Tijdens haar huwelijk had ze al geld en na mijn opa’s dood had ze nog meer. Het huis stond in St. John, een geweldige buitenwijk van St. Louis, en er waren twee slaapkamers, of nog meer, als je het gestoffeerde deel van de kelder meerekende. Het was een geweldig fijn huisje, veel beter dan dit smalle, sjofele appartement in Soulard. Maar het huis in St. John had een geschiedenis. Omdat ik zo veel bij oma Lannert had gezeten, in dezelfde buurt, wist ik dat er twee mannen waren doodgegaan. De oorspronkelijke eigenaar was gestorven van ouderdom en de vader van de huidige eigenaar was er ziek geweest en overleden. Ik probeerde me niet te laten beïnvloeden door dom bijgeloof.

Ik dacht aan een nieuwe start op een nieuwe school. Ik had een schone lei nodig. Ik zou naar de Ritenour High School gaan, net als mijn vader. Maar het allergrootste voordeel was oma Lannert. Het leek me geweldig om bij haar in de straat te wonen. Ze was al wat ouder en we moesten wat meer voor haar zorgen, maar ze was nog steeds diezelfde liefhebbende, zorgzame vrouw die ons altijd zo verwende. In al die woelige jaren was zij een constante bron van geluk en rust geweest.

Ik was oud genoeg om te begrijpen dat mijn vader een zak was. Maar zijn woorden en daden lieten ons geloven dat hij ons wilde. Dat kregen we zelden te horen, dus als het gebeurde, gingen we op en neer springen als kinderen bij een suikerspinkraampje. Kinderen willen liefde en wij dus ook. Intussen deden mijn moeder en John niet bepaald hun best om ons mee te krijgen.

Die dag zei mijn vader: ‘Ik zal mijn best doen. Meer kan ik niet doen.’

Hij beloofde dat hij minder zou drinken. ‘Alles wordt anders,’ zei hij geruststellend. Hij beloofde dat hij zou veranderen, écht veranderen ditmaal. Hij beloofde Christy dat hij zijn best zou doen om wat beter met haar overweg te kunnen. Hij glimlachte naar me met zijn oude glimlach, die van mijn lieve papa. Daardoor vertrouwde ik hem op dat moment.

Hij bleef praten, maar ik luisterde al niet meer. Het maakte niet echt uit wat hij zei. Ik zou bij hem in St. John gaan wonen omdat mijn oma zo geweldig was. Ik had al vaker gehoopt dat ik bij haar mocht wonen, maar haar gezondheid was niet goed genoeg om voor me te zorgen. Ik zou zelfs voor haar moeten zorgen. Ze had suikerziekte en ze kon geen lange afstanden meer rijden. Ik wilde er voor haar zijn.

Soms, als mijn vader het echt op zijn heupen kreeg en ik niet meer wist wat ik anders moest zeggen, zei ik: ‘Als je dat doet, vertel ik het aan oma Lannert.’ Dat was mijn enige pressiemiddel: dreigen dat ik alles aan haar zou vertellen. En meestal bond hij dan in. Hij hield oprecht van haar en hij vond haar mening heel belangrijk.

Voor Christy was de keuze ook makkelijk. We hadden vertrouwen in hem. We klampten ons vast aan de hoop dat alles weer zou worden zoals vroeger, toen we in Cedar Rapids en Kansas City woonden. Geloof en hoop, meer hadden we niet.

We pakten onze spullen en hij wikkelde de koop van het huis in St. John af. Op mijn zestiende verjaardag verhuisde mijn moeder voorgoed naar Arkansas. Toen ik daarover klaagde – had ze geen andere dag kunnen kiezen? – zei ze op strenge toon dat ze mijn verjaardag het vorige jaar ook al had gevierd. Zij en John verhuisden op 28 mei 1988 naar een andere staat.

 

*

 

Ik kreeg een korte adempauze. Een hele korte adempauze waarin Tom nog even papa afremde. Hij dronk minder, maar trok nog steeds elke avond blikjes bier open. Dat deed hij thuis en hij liet de bars en de martini’s een paar weken links liggen. Het was een adempauze die ik goed kon gebruiken.

Ik kreeg van meet af aan aardig wat verantwoordelijkheden. Ik hielp oma Lannert continu met het controleren van haar bloedsuikerspiegel en ik moest ook nog op Christy letten. Tegen de tijd dat ze veertien was, had ik er al een dagtaak aan om haar van de drank af te houden en te zorgen dat ze naar school ging.

Ik voelde me ook verantwoordelijk voor mijn vader. Hij probeerde minder te drinken en hij zei dat hij mijn hulp nodig had. Ik maakte me zorgen als hij ’s avonds niet thuiskwam. Dat betekende dat hij in een of andere bar zat en ik wilde niet dat hij zich dood zou rijden. Hij had al zo veel ongelukken gehad als hij gedronken had. Ik was zo bezorgd dat ik niet kon slapen. Ik kende zijn favoriete cafés en hij zat meestal in een kroeg die The Edge heette. Ik had mijn rijbewijs, dus dan reed ik rondjes tot ik hem vond. Dan liet hij zich zonder veel herrie naar huis rijden. De eerste paar keer was hij de vrolijke dronkelap van wie ik kon houden en dan hield hij me tot na enen wakker met gesprekken over school en het leven en zo.

Maar toen ging hij me op een avond ineens te lijf toen ik hem uit de kroeg had gehaald. Ik was niet van plan hem nog eens op te halen als hij me alleen maar zou verkrachten. Ik besloot dat hij zich dan maar dood moest rijden. Hij was mijn benzinegeld niet waard. Ik was er klaar mee. Ik maakte me geen zorgen meer om hem. Ik probeerde niet meer te helpen met zijn drankprobleem. Ik voelde me niet meer verantwoordelijk voor de goede sfeer in huis.

Zijn alcoholisme werd erger. Hij gaf vaak over. Christy en ik flipten helemaal, de eerste keer dat we hem om zagen vallen. Hij kwam laat thuis, niet eens meer in staat om zich uit te kleden. Dan vonden we hem op de grond voor zijn slaapkamerdeur, half gekleed, in een plas kots. Als we tegen hem praatten, hoorde hij ons niet eens. Hij verroerde geen vin. Hij rook afschuwelijk. Dan knielden we bij hem neer om te kijken of hij nog ademde.

‘Yep, hij leeft nog,’ zeiden we dan tegen elkaar.

De volgende ochtend werd hij wakker alsof er niets gebeurd was, helemaal verbaasd. ‘Wat is dat hier voor rotzooi?’

Dan zei ik: ‘Je bent gewoon omgedonderd. Daar moet je mee ophouden.’

Hij geloofde nooit dat er iets vreemds was gebeurd. Hij was toch zeker niet zo stom en roekeloos geweest om bijvoorbeeld straalbezopen in de auto te stappen? Daar kon hij zich niets van herinneren.

‘Ik ruim het niet op,’ zei ik dan. Meestal moest ik het toch opruimen van hem.

Eerst was het een nachtmerrie om hem zo dronken te zien. Maar na een tijdje werd het braken en het omvallen zo gewoon dat het ons niet meer opviel. Mijn vaders drankmisbruik was een alledaags onderdeel van ons leven in St. John.